(geschreven op donderdag 5 december)

Ik zat ineens vast vanmorgen. Rondstaren, stoppen, niet meer functioneren. Omdat het niet te vatten is. Wat je leest in de kranten. Over een vrouw die vorig jaar al een zoon verloor. En nu haar tweede, door die brand. En zelf ligt ze nog in een coma. Misschien WIL ze niet meer wakker worden. Hoe zou je zelf zijn?

Op een andere cover de foto van die baby, wiens laatste adem het lijfje verliet omdat de mama in een zware postnatale depressie woonde. Het verschil tussen wel of niet zo’n daad plegen, is een wereld. Een leven. Levend of dood, hoopgevend of hopeloos. Het hakte erin. Omdat ik het herken. Niet van mezelf maar heel dichtbij. Als het toen hopeloos was geeïndigd, was er van mij nooit sprake geweest. En was mijn broer het kind in de waterput. Ja, ik heb vaak gevloekt op mijn moeder, die na de geboorte van haar eerste kind, monsters uit de biefstukken zag komen en op blote voeten in haar slaapkleed de straat opliep… En toen ik er uiteindelijk toch ook nog kwam – wat niet meteen werd aangeraden – werd mama naar huis gestuurd. Niet met een mand vol baby Nathalie maar met een mand vol pillen, om iet of wat overeind te blijven en de diepe depressie voor te zijn. Ik bleef in een ‘veilig bedje’ een tijdje in het ziekenhuis, want je wist maar nooit. Ik heb me – veel later – waarschijnlijk voor een stuk daardoor een tijdlang bodemloos gevoeld. Ondertussen hebben de jaren, het weten en allerlei wegen, geleid tot dankbaarheid. En uiteraard heeft het zelf moeder worden daar een gigantische rol in gespeeld. Ja, ik ben bang geweest, want het moest maar eens ook in mijn bloed geslopen zijn. Ik was bijzonder op mijn hoede na de geboorte van onze eerste dochter en m’n voelsprieten stonden op scherp. Het duurde ook even vooraleer ik 100% een band met mijn kind durfde aangaan. Ik hoop dat ze dat nooit gevoeld zal hebben. Het waren emoties, angsten, ervaringen van jaren die toen, rond haar geboorte, via een zandloper even spannend samenkwamen.

Nu zitten we met zijn allen aan de mooi stromende kant, een fase en een generatie verder. En is de mama van toen de meter van nu en is zij het die op elk moment inspringt. Ook vandaag, terwijl de jongste ziek is. Nu is zij het die ziet hoe ook deze generatie moeders de strijd aangaat met alles wat erbij komt kijken: de vermoeidheid, de planning, de echtelijke discussies. Ze zit op de eerste rij en moet zich soms inhouden. Soms zie ik de angst in haar ogen. En vraag ik me af of ze een spiegel ziet van wat ze er toen inzag.

Ik zie vooral de lach. Nu. Van de meisjes. En als we allemaal weer even tè moe zijn, probeer ik de monsters in de biefstukken voor te zijn en kriebel ik vrouw en kinderen. Want een beetje gek zijn we gelukkig allemaal.